De fiscale behandeling van stadsverwarming in het kader van de energiebelasting is een complexe materie die in de afgelopen jaren verschillende wijzigingen heeft ondergaan. Stadsverwarming, vaak ook bekend als districtverwarming, speelt een steeds belangrijkere rol in de verduurzaming van de energievoorziening in Nederland. Vanwege de groeiende aandacht voor duurzame energie en het streven naar klimaatneutraal bouwen is het ook nodig om de fiscale aspecten van stadsverwarming te begrijpen. Deze regelingen beïnvloeden niet alleen de investeringen van warmtebedrijven en woningbouwcorporaties, maar ook de eindkosten voor eindgebruikers.
In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de huidige regelingen binnen de energiebelasting voor stadsverwarming. Daarnaast wordt ingegaan op recente wijzigingen en uitbreidingen van deze regelingen, met een nadruk op de toepassing van de zogenaamde grotendeelsclausule. Ook wordt uitgelegd hoe deze regelingen beïnvloed worden door de toepassing van duurzame warmtebronnen, zoals restwarmte, aardwarmte en biomassa. Ten slotte worden de financiële gevolgen en budgettaire dervingen van deze regelingen besproken, waarbij duidelijk wordt gemaakt hoe het fiscale kader bijdraagt aan het verduurzamen van de warmtevoorziening.
Inleiding
De energiebelasting (EB) is een indirecte belasting op energieproducten zoals aardgas en elektriciteit. Voor stadsverwarming geldt een specifieke regeling binnen de energiebelasting, namelijk de stadsverwarmingsregeling. Deze regeling beoogt een gunstige fiscale behandeling van stadsverwarming die grotendeels gebruik maakt van duurzame warmtebronnen. Hierbij is sprake van een grotendeelscriterium dat stipuleert dat de installatie voor stadsverwarming ten minste 50% van de warmte moet opwekken met duurzame middelen. In dergelijke gevallen is het degressieve tarief van toepassing op het aardgas dat wordt verbruikt in hulpketels.
De stadsverwarmingsregeling is echter niet alleen van toepassing op warmte die opgewekt wordt met restwarmte, zoals eerst het geval was. In recente jaren is de regeling uitgebreid naar andere duurzame warmtebronnen, waaronder aardwarmte, vaste en vloeibare biomassa, aquathermie, lucht-water-warmtepompen en elektrische boilers. Deze uitbreiding is bedoeld om te voorkomen dat stadsverwarming die gebruikmaakt van deze alternatieve warmtebronnen in een belastingnadeel komt terecht ten opzichte van systemen die reeds in de regeling zijn opgenomen.
Stadsverwarmingsregeling binnen de energiebelasting
Grotendeelscriterium en toepassing van degressieve tarieven
De kern van de stadsverwarmingsregeling ligt in het grotendeelscriterium, dat stipuleert dat de installatie voor stadsverwarming grotendeels (meer dan 50%) gebruik moet maken van duurzame warmtebronnen. Voor dergelijke systemen is het degressieve tarief van toepassing op het aardgas dat wordt verbruikt in hulpketels. Dit betekent dat het aardgas dat nodig is voor de warmteproductie in de installatie niet volledig wordt belast tegen het hogere blokverwarmingstarief, maar tegen een gunstiger tarief.
Voorbeelden van duurzame warmtebronnen die onder dit criterium vallen, zijn restwarmte, aardwarmte, vaste of vloeibare biomassa, aquathermie, lucht-water-warmtepompen en elektrische boilers. Deze warmtebronnen zijn in het kader van de energiebelasting opgenomen in een opsomming die regelmatig wordt bijgesteld. De uitbreiding van deze opsomming met nieuwe technieken dient ervoor te zorgen dat stadsverwarming die gebruikmaakt van deze alternatieve bronnen op gelijke voet staat met systemen die reeds in de regeling zijn opgenomen.
Uitzondering op het blokverwarmingstarief
Stadsverwarming wordt in de energiebelasting in principe aangemerkt als blokverwarming. Dit betekent dat het aardgas dat wordt gebruikt voor het opwekken van warmte in een installatie voor blokverwarming volledig wordt belast tegen het hogere blokverwarmingstarief. De uitzondering op deze regel is echter dat het blokverwarmingstarief niet van toepassing is op aardgas dat wordt gebruikt in een installatie voor stadsverwarming waarbij grotendeels gebruik wordt gemaakt van duurzame warmtebronnen. In dit geval is het degressieve tarief wel van toepassing.
Hardheidsclausule en tijdelijke aardgasgebruik
De hardheidsclausule speelt een rol in situaties waarin tijdelijk geen voldoende duurzame warmte beschikbaar is. In dergelijke gevallen kan een warmtenet tijdelijk aardgas gebruiken om de warmtevoorziening te garanderen. Ondanks het gebruik van aardgas blijft de stadsverwarmingsregeling van toepassing op dit gas, mits het gebruik tijdelijk is en niet voortdurend plaatsvindt. Dit voorkomt dat de installatie in een fiscaal nadeel terecht komt door het tijdelijk gebruik van aardgas.
Een voorbeeld hiervan is een geval waarin een van de voornaamste leveranciers van warmte (Y) op het warmtenet tijdelijk geen duurzame warmte kan leveren vanwege een brand. Om te voorkomen dat de regio onvoldoende warmte krijgt, wordt het warmtenet tijdelijk voorzien van warmte via aardgasgestookte installaties voor blokverwarming. In dit geval is het aardgas dat wordt verbruikt voor deze hulpketels onderworpen aan het degressieve tarief.
Uitbreiding van de stadsverwarmingsregeling
Aanpassing van de opsomming van duurzame warmtebronnen
In de afgelopen jaren is de stadsverwarmingsregeling uitgebreid met nieuwe duurzame warmtebronnen. Deze uitbreiding is bedoeld om ervoor te zorgen dat stadsverwarming die gebruikmaakt van deze alternatieve warmtebronnen niet in een fiscaal nadeel komt ten opzichte van systemen die reeds in de regeling zijn opgenomen. Zo zijn in het kader van de energiebelasting bijvoorbeeld aquathermie, lucht-water-warmtepompen, gasvormige biomassa en elektrische boilers opgenomen in de opsomming van toegestane warmtebronnen.
Deze aanpassingen zijn onderdeel van het Belastingplan 2024 en zijn bedoeld om de verduurzaming van de warmtevoorziening te bevorderen. Door deze uitbreiding is het mogelijk om stadsverwarming die gebruikmaakt van deze alternatieve warmtebronnen te bevoordelen met het degressieve tarief, wat leidt tot een gunstigere fiscale situatie voor zowel de warmtebedrijven als de eindgebruikers.
Invloed op de investeringskeuze van warmtebedrijven
De wijzigingen in de stadsverwarmingsregeling hebben een directe invloed op de investeringskeuzes van warmtebedrijven. Door de fiscale voordelen van de degressieve tarieven zijn warmtebedrijven sterk geïnteresseerd in het opbouwen van stadsverwarmingsinstallaties die grotendeels gebruik maken van duurzame warmtebronnen. Dit stimuleert investeringen in verduurzame technologieën en draagt bij aan de groei van duurzame warmtenetten in Nederland.
Het kabinet heeft in een kamerbrief uitgebreid ingegaan op de impact van deze fiscale maatregelen op de bedrijfsvoering van warmtebedrijven en de investeringen in verduurzaming. Hierin is onder meer gesteld dat de regeling ervoor zorgt dat warmtebedrijven niet in een belastingnadeel komen terecht door de toepassing van duurzame warmtebronnen. Daarnaast is ingegaan op de verkenningen van het ministerie van Financiën naar mogelijke aanpassingen van de stadsverwarmingsregeling.
Budgettaire gevolgen en derving
Budgettaire derving
De uitbreiding van de stadsverwarmingsregeling heeft financiële gevolgen voor de overheid. Door het toepassen van het degressieve tarief op aardgas dat wordt verbruikt in hulpketels van stadsverwarmingsinstallaties ontstaat een budgettaire derving. Dit betekent dat de overheid minder belasting opbrengt dan zou het geval zijn bij toepassing van het hogere blokverwarmingstarief.
De budgettaire derving is geraamd op € 3 miljoen per jaar. Deze derving wordt gedekt uit een verhoging van het tarief in de eerste schijf op aardgas. Deze aanpassing zorgt ervoor dat de fiscale gevolgen van de uitbreiding van de regeling worden gecompenseerd en dat er geen negatieve financiële effecten ontstaan voor de overheid.
Doeltreffendheid en doelmatigheid
De stadsverwarmingsregeling is in de meest recente evaluatie van de energiebelasting als doeltreffend en grotendeels doelmatig geëvalueerd. Het feit dat de regeling wordt toegepast op installaties die grotendeels gebruik maken van duurzame warmtebronnen maakt dat er geen onderscheid gemaakt wordt tussen vergelijkbare warmtebronnen in de fiscale behandeling. Hierdoor worden de investeringen in verduurzame warmtebronnen niet belemmerd door fiscaleredenen.
De evaluatie heeft tevens aangetoond dat de regeling een positieve invloed heeft op de groei van duurzame warmtenetten. Door de fiscale voordelen zijn warmtebedrijven sterk geïnteresseerd in het ontwikkelen van stadsverwarmingsinstallaties die gebruik maken van duurzame warmtebronnen. Dit draagt bij aan de verduurzaming van de energievoorziening en de vermindering van CO₂-uitstoot.
Conclusie
De stadsverwarmingsregeling binnen de energiebelasting speelt een belangrijke rol in de verduurzaming van de warmtevoorziening in Nederland. Door de toepassing van het grotendeelscriterium en het degressieve tarief op aardgas dat wordt verbruikt in hulpketels van stadsverwarmingsinstallaties wordt een gunstige fiscale behandeling geboden aan systemen die grotendeels gebruik maken van duurzame warmtebronnen. Deze regeling stimuleert investeringen in verduurzame technologieën en draagt bij aan de groei van duurzame warmtenetten.
De uitbreiding van de regeling met nieuwe warmtebronnen, zoals aquathermie, lucht-water-warmtepompen, gasvormige biomassa en elektrische boilers, zorgt ervoor dat stadsverwarming die gebruikmaakt van deze alternatieve warmtebronnen op gelijke voet staat met systemen die reeds in de regeling zijn opgenomen. Hierdoor is het mogelijk om investeringen in verduurzame warmtebronnen niet belemmerd door fiscaleredenen.
De budgettaire derving die ontstaat als gevolg van de uitbreiding van de regeling is gecompenseerd door een verhoging van het tarief in de eerste schijf op aardgas. Hierdoor is er geen negatief effect op de fiscale positie van de overheid. De evaluatie van de regeling heeft aangetoond dat deze doeltreffend en grotendeels doelmatig is, en dat de fiscale behandeling geen onderscheid maakt tussen vergelijkbare warmtebronnen.
In de toekomst is het van belang dat de regeling verder wordt uitgebreid en aangepast aan de ontwikkelingen op het gebied van duurzame warmteproductie. Hierdoor kan het fiscale kader blijven bijdragen aan de verduurzaming van de warmtevoorziening en de vermindering van CO₂-uitstoot.