Inleiding
Stadsverwarming, ook wel bekend als collectieve warmtevoorziening, speelt een steeds belangrijker rol in de duurzame energietransitie. Het kabinet streeft naar een verduurzaming van de warmtevoorziening en stelt daarom maatregelen voor om stadsverwarmingssystemen die grotendeels gebruik maken van duurzame energiebronnen, fiscaler gunstig te behandelen. Deze fiscale regeling heeft als doel om gelijkwaardige behandeling van verschillende duurzame warmtebronnen te waarborgen en de administratie te vereenvoudigen.
De energiebelasting, die in Nederland wordt aangerekend op aardgas en elektriciteit, speelt een cruciale rol in deze context. De stadsverwarmingsregeling is onderdeel van deze belasting en beïnvloedt hoeveel een huishouden of bedrijf aan belastingen moet betalen afhankelijk van de energiebronnen die worden gebruikt.
In deze publicatie wordt een gedetailleerde en overzichtelijke uitleg gegeven van de huidige fiscale regelingen rondom stadsverwarming en energiebelasting. De nadruk ligt op de recente wijzigingen in de regelingen, zoals de uitbreiding van de lijst met duurzame warmtebronnen, de toepassing van de hardheidsclausule bij stadsverwarming, en de impact van deze regelingen op de fiscale behandeling van het aardgasverbruik. Ook worden de technische en economische aspecten van stadsverwarming verduidelijkt, zodat lezers een duidelijk beeld krijgen van de voordelen, nadelen en fysieke toepassing van deze warmtevoorzieningsmethode.
De stadsverwarmingsregeling en energiebelasting
De energiebelasting is een milieubelasting die gericht is op het verbruik van aardgas en elektriciteit. Voor aardgas wordt de energiebelasting berekend op basis van verbruik in kubieke meter, terwijl de belasting op elektriciteit uitgedrukt wordt in kilowattuur. In het kader van stadsverwarming geldt een uitzondering op deze belasting: wanneer een stadsverwarmingssysteem grotendeels (meer dan 50%) gebruik maakt van duurzame warmtebronnen, wordt het aardgasverbruik in hulpketels belast tegen een lagere tarief, namelijk het zogenaamde blokverwarmingstarief. Deze regeling is bedoeld om stadsverwarmingssystemen die duurzame energiebronnen gebruiken fiscaler gunstig te behandelen en zo de overgang naar duurzame warmte te stimuleren.
De regeling houdt rekening met verschillende soorten duurzame warmtebronnen, zoals restwarmte, aardwarmte, en vaste of vloeibare biomassa. In 2024 is deze lijst uitgebreid met nieuwe duurzame warmtebronnen zoals aquathermie, lucht-water-warmtepompen, gasvormige biomassa, en elektrische boilers. Deze uitbreiding zorgt ervoor dat een bredere set van technieken wordt aangemoedigd die betrokken zijn bij de verduurzaming van de warmtevoorziening. Hierdoor maakt de maatregel geen onderscheid tussen de fiscale behandeling van vergelijkbare warmtebronnen, wat leidt tot een efficiënter gebruik van duurzame technologieën.
De uitbreiding van de lijst met duurzame warmtebronnen is onderdeel van het Belastingplan 2024 en is geëvalueerd als doeltreffend en grotendeels doelmatig. De Belastingdienst heeft beoordeeld dat de invoering van deze maatregel per 1 januari 2025 uitvoerbaar is. Bovendien wordt verwacht dat de uitbreiding van de soorten duurzame warmtebronnen een positief effect heeft op de fraudebestendigheid en de toepasbaarheid van de regeling, aangezien meer warmtebronnen kwalificeren als duurzame warmtebronnen.
De hardheidsclausule en stadsverwarming
Een belangrijke juridische aspect die invloed heeft op de fiscale behandeling van stadsverwarming is de hardheidsclausule. Deze clausule bepaalt dat de degressieve tariefschijven van de energiebelasting niet van toepassing zijn op aardgas dat wordt geleverd aan een verbruiker die dit gas gebruikt voor een installatie voor blokverwarming. In dat geval wordt de levering van aardgas volledig belast tegen de tweede tariefschijf, ook bekend als het blokverwarmingstarief. Stadsverwarming wordt binnen deze regeling aangemerkt als blokverwarming.
Er is echter een uitzondering op deze regeling voor aardgas dat wordt gebruikt in een installatie voor stadsverwarming waarbij grotendeels (meer dan 50%) gebruik wordt gemaakt van duurzame warmtebronnen. In dergelijke gevallen is het aardgasverbruik in hulpketels wel belast tegen de degressieve tariefschijven. Deze uitzondering is bedoeld om stadsverwarmingssystemen die duurzame energiebronnen gebruiken fiscaler gunstig te behandelen.
De toepassing van de hardheidsclausule wordt bijvoorbeeld geïllustreerd in het geval waarin een regio met een stadsverwarmingssysteem tijdelijk onvoldoende duurzame warmte kan leveren. In dat geval wordt het warmtenet tijdelijk aangevuld met aardgasgestookte installaties voor blokverwarming. De hardheidsclausule zorgt ervoor dat deze situatie fiscaler gunstig wordt behandeld dan een systeem dat volledig op aardgas werkt.
Technische en economische aspecten van stadsverwarming
Stadsverwarming is een methode van warmtevoorziening waarbij warmte wordt opgewekt op een centrale locatie en via een warmtenet wordt geleverd aan huizen, kantoren en andere gebouwen. Deze warmte kan worden opgewekt met verschillende energiebronnen, zoals aardgas, biomassa, restwarmte uit industriële processen, aquathermie of warmtepompen. De keuze van de energiebron beïnvloedt niet alleen de duurzaamheid van het systeem, maar ook de fiscale behandeling van het warmteverbruik.
De voordelen van stadsverwarming zijn onder andere dat er geen individuele cv-ketels zijn en daarmee ook geen onderhoudskosten voor deze installaties. Bovendien is het systeem doorgaans duurzamer dan een individuele gasaansluiting, omdat het gebruik kan maken van restwarmte die anders verloren zou gaan. Daarnaast is er geen gasaansluiting nodig voor huizen die gebruik maken van stadsverwarming.
Een nadeel van stadsverwarming is dat het niet mogelijk is om van leverancier te wisselen, wat het minder flexibel maakt dan individuele verwarmingsinstallaties. De hoge aanlegkosten van het warmtenet kunnen bovendien leiden tot hogere tarieven voor eindgebruikers. De kosten voor stadsverwarming bestaan meestal uit een vast bedrag per jaar, een variabel bedrag per verbruikte gigajoule, kosten voor de aansluiting en bijbehorende apparatuur, en eventueel een eenmalige aansluitbijdrage.
De Warmtewet biedt bescherming tegen te hoge tarieven voor stadswarmte, omdat het niet mogelijk is om van leverancier te wisselen. Deze wet stelt een maximumtarief vast dat jaarlijks wordt bepaald door de toezichthouder ACM, op basis van de gemiddelde gasprijs op 1 januari. De overheid is momenteel bezig met de invoering van een nieuwe Wet collectieve warmtevoorziening, die verwacht wordt om het kader voor stadsverwarming verder te verduidelijken en te verbeteren.
De impact van de energiebelasting op stadsverwarming
De energiebelasting heeft een directe invloed op de kosten van stadsverwarming. Voor huishoudens die gebruik maken van stadsverwarming is het verbruik van aardgas niet van toepassing, omdat stadsverwarming een alternatief voor individuele gasaansluiting is. Dit betekent dat deze huishoudens niets hoeven in te vullen op hun aangifte van gasverbruik, maar wel rekening moeten houden met de energiebelasting op hun stroomverbruik.
De energiebelasting op gas is per 2025 vastgesteld op € 0,70 per m³ en op € 0,73 per m³ in 2026. Voor elektriciteit is de belasting in 2025 € 0,12 per kWh en daalt deze in 2026 naar € 0,11 per kWh. De vermindering van de energiebelasting in 2026 bedraagt € 628,96, wat iets lager is dan in 2025. Deze vermindering is bedoeld om eindgebruikers te ondersteunen bij de stijgende energiekosten en is onderdeel van het tijdelijke noodfonds voor energie.
De regeling van de energiebelasting en de stadsverwarmingsregeling zijn beide jaarlijks vastgesteld door het kabinet en worden gepresenteerd op Prinsjesdag. De energiebelasting wordt daardoor elk jaar op 1 januari vastgesteld en is bij iedere energieleverancier hetzelfde. Voor bedrijven die gebruik maken van stadsverwarming is het belangrijk om rekening te houden met de veranderingen in de energiebelasting, omdat dit directe invloed heeft op de operationele kosten.
Toekomstige ontwikkelingen en evaluatie
De uitbreiding van de lijst met duurzame warmtebronnen is bedoeld om de regeling flexibeler en doeltreffender te maken. Deze maatregel is onderdeel van de eisen die het kabinet stelt voor een duurzame energietransitie. De evaluatie van de stadsverwarmingsregeling in de meest recente evaluatie van de energiebelasting heeft aangetoond dat de regeling doeltreffend en grotendeels doelmatig is. Door het toevoegen van nieuwe duurzame warmtebronnen maakt de maatregel geen onderscheid tussen de fiscale behandeling van vergelijkbare warmtebronnen, wat leidt tot een efficiënter gebruik van duurzame technologieën.
De Belastingdienst heeft beoordeeld dat de invoering van deze maatregel per 1 januari 2025 uitvoerbaar is. Daarnaast is er verwachting dat de uitbreiding van de soorten duurzame warmtebronnen een positief effect heeft op de fraudebestendigheid en de toepasbaarheid van de regeling. Door meer warmtebronnen kwalificeren als duurzame warmtebronnen, kan de stadsverwarmingsregeling vaker worden toegepast, wat bijdraagt aan de verduurzaming van de warmtevoorziening.
De regelingen worden regelmatig geëvalueerd en eventueel aangepast om aan de veranderende omstandigheden te voldoen. In de toekomst is te verwachten dat de regelingen verder worden uitgebreid of aangepast om de doelen van de energietransitie te ondersteunen. De kritische evaluatie van de regelingen is een belangrijk onderdeel van het beleid en draagt bij aan een duurzame en doeltreffende energievoorziening.
Conclusie
De fysieke en fiscale behandeling van stadsverwarming is een complex onderwerp dat verschillende aspecten omvat. De stadsverwarmingsregeling is bedoeld om stadsverwarmingssystemen die grotendeels gebruik maken van duurzame energiebronnen fiscaler gunstig te behandelen. Deze regeling is onderdeel van de energiebelasting en heeft als doel om gelijkwaardige behandeling van verschillende duurzame warmtebronnen te waarborgen. De uitbreiding van de lijst met duurzame warmtebronnen is een recente wijziging die leidt tot een efficiënter gebruik van duurzame technologieën en zorgt ervoor dat een bredere set van technieken wordt aangemoedigd.
De hardheidsclausule speelt een belangrijke rol in de fiscale behandeling van stadsverwarming en beïnvloedt hoeveel een huishouden of bedrijf aan belastingen moet betalen afhankelijk van de energiebronnen die worden gebruikt. De toepassing van deze clausule is geïllustreerd in het geval waarin een regio tijdelijk onvoldoende duurzame warmte kan leveren en tijdelijk aardgas moet gebruiken. De regeling zorgt ervoor dat deze situatie fiscaler gunstig wordt behandeld dan een systeem dat volledig op aardgas werkt.
De technische en economische aspecten van stadsverwarming zijn eveneens belangrijk om te begrijpen. De voordelen van stadsverwarming zijn onder andere dat er geen individuele cv-ketels zijn en dat het systeem doorgaans duurzamer is dan een individuele gasaansluiting. Echter, de hoge aanlegkosten van het warmtenet kunnen leiden tot hogere tarieven voor eindgebruikers. De Warmtewet biedt bescherming tegen te hoge tarieven en stelt een maximumtarief vast dat jaarlijks wordt bepaald door de toezichthouder ACM.
De energiebelasting heeft een directe invloed op de kosten van stadsverwarming en is jaarlijks vastgesteld door het kabinet. De regelingen worden regelmatig geëvalueerd en eventueel aangepast om aan de veranderende omstandigheden te voldoen. De kritische evaluatie van de regelingen is een belangrijk onderdeel van het beleid en draagt bij aan een duurzame en doeltreffende energievoorziening.
In de toekomst is te verwachten dat de regelingen verder worden uitgebreid of aangepast om de doelen van de energietransitie te ondersteunen. De uitbreiding van de soorten duurzame warmtebronnen is een voorbeeld van een maatregel die helpt bij de overgang naar een duurzame energievoorziening en leidt tot een efficiënter gebruik van duurzame technologieën.