De invoering en historische ontwikkeling van VVE in Nederland

Inleiding

De term VVE (Vroeg Voorschoolse Educatie) speelt een steeds belangrijkere rol in de Nederlandse onderwijs- en opvangsector. Het omvat activiteiten en programma's voor jonge kinderen voorafgaand aan hun start op de basisschool. Deze voorschoolse educatie is niet alleen gericht op speel- en ontwikkelingsactiviteiten, maar ook op het voorbereiden van kinderen op de toekomstige scholastische eisen. De invoering en uitbreiding van VVE in Nederland zijn het resultaat van een langdurige beleidsontwikkeling, waarbij diverse wetten en beleidsregels een rol hebben gespeeld.

In dit artikel worden de historische ontwikkelingen en de invoering van VVE in Nederland besproken, met een nadruk op de relevante beleidsmaatregelen, wetten en praktijkontwikkelingen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van concrete informatie uit de bronnen die zijn verstrekt, met aandacht voor de betrouwbaarheid van de gegevens. Het doel is om een duidelijk overzicht te geven van wanneer VVE is ingevoerd en hoe het beleid zich heeft ontwikkeld tot nu toe.

De invoering van VVE in Nederland

De invoering van VVE in Nederland dateert uit het begin van de 21e eeuw, waarbij de wetgeving en beleidsregels geleidelijk werden aangepast om jonge kinderen beter voor te bereiden op het onderwijs in de basisschool. In 2006 werd een belangrijk beleidskader opgesteld, waarin VVE centraal stond. Dit beleid was gericht op de professionalisering van de voorschoolse educatie en het verbeteren van de kwaliteit van de voor- en vroegschoolse opvang.

Een van de belangrijkste stappen in de historische ontwikkeling van VVE vond plaats in het jaar 2006, wanneer de minister van Onderwijs in een brief van 6 juni 2006 nieuwe richtlijnen en verantwoordelijkheden voor scholen en gemeenten formuleerde. In deze brief werd aangegeven dat scholen vanaf 1 augustus 2006 een hogere vergoeding zouden ontvangen uit de gewichtenregeling. Deze extra middelen moesten worden gebruikt om de kosten voor VVE op de eigen school te dekken. Voordat deze verandering werd ingevoerd, werden deze middelen namelijk doorgestuurd naar de gemeente.

Daarnaast was het in 2006 ook belangrijk om constructief overleg te voeren tussen scholen en gemeenten. Dit overleg was noodzakelijk om de doorlopende leerlijnen te ondersteunen. In de afgelopen jaren was er al een goed overleg tussen scholen, peuterspeelzalen en andere instellingen die zich bezighielden met voor- en vroegschoolse educatie. De gemeente wilde dit overleg verder uitbreiden, met nieuwe accenten op onderwijsachterstandenbeleid. Nu een deel van het voormalige GOA-budget bij het onderwijs terechtkwam, ontstonden er gemeenschappelijke taken met gescheiden verantwoordelijkheden voor gemeente en scholen, vooral op het terrein van de doorgaande lijn en het VVE-beleid.

De rol van de Wet OKE in de uitbreiding van VVE

In 2010 werd de Wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (Wet OKE) ingevoerd. Deze wet was bedoeld om de taalontwikkeling van jonge kinderen te stimuleren en de kwaliteit van peuterspeelzalen te verbeteren. Hierbij werd de gemeente verantwoordelijk gemaakt voor het realiseren van een voldoende aanbod aan VVE-voorzieningen van goede kwaliteit. De Wet OKE fungeerde als een katalysator voor de harmonisatie van kinderopvang en peuterspeelzalen. Hierbij werd een enkel kwaliteitskader voor beide voorzieningen ingevoerd.

De harmonisatie tussen kinderopvang en peuterspeelzalen was een belangrijk onderdeel van het VVE-beleid. Er werden drie pijlers gedefinieerd:

  1. Versterken van de pedagogische kwaliteit: De kwaliteit van de pedagogische aanpak in kinderopvang en peuterspeelzalen werd verbeterd. Dit omvatte o.a. de professionalisering van medewerkers en het verbeteren van de opbrengsten van de educatieve activiteiten.

  2. Één kwaliteitskader voor kinderopvang en peuterspeelzalen: Hiermee werd het doel gesteld om de kwaliteitsnormen voor beide soorten opvang uniform te maken. Dit moest leiden tot een consistente aanpak van de voorschoolse educatie.

  3. Toezicht en handhaving door de GGD en onderwijsinspectie: De GGD speelde een belangrijke rol bij de toezichtsactiviteiten. De JGZ-verpleegkundige was verantwoordelijk voor de toeleiding en indicering van VVE-doelgroepkinderen. Ouders hadden een vrije keuze in welke VVE-voorziening ze hun kind afnamen.

De Wet IKK en haar invloed op VVE

In 2018 is de Wet Innovatie Kwaliteit Kinderopvang (IKK) in werking getreden. Deze wet bracht verstrengde kwaliteitseisen met zich mee voor kinder- en peuteropvang. Hieronder vielen onder andere eisen rondom de leidster-kind-ratio, het mentoringsstelsel voor kinderen en aangescherpte taalvermogens voor medewerkers. Deze wet had directe invloed op de kwaliteit van VVE-voorzieningen en daarmee ook op de rol van de GGD als toetsingsinstantie.

Een voorbeeld van de praktijkontwikkeling is te vinden in Valkenswaard. In 2020 begonnen ook de locaties van Horizon met de scholing voor VVE en verwachtten zij in 2021 het VVE-aanbod te realiseren. Tegelijkertijd wezen twee Valkenswaardse kinderopvangorganisaties, IkOok! en Bij de Boer, aan dat zij in 2020 nog geen VVE wilden aanbieden. Dit toont aan dat de implementatie van VVE niet uniform verloopt en dat lokale uitdagingen kunnen optreden bij het realiseren van een uitgebreider aanbod.

In Amersfoort speelt de GGD een actieve rol in de ondersteuning van ouders bij het aanmelden van hun kind voor VVE. Brigitte Prevoo fungeert daar als VVE-consulent en helpt ouders met vragen rondom VVE, het vinden van een peutergroep, het aanmelden bij een groep en het uitzoeken van kosten en mogelijke hulp met geld. Deze functie draagt bij aan een betere toegankelijkheid van VVE en helpt ouders bij het nemen van beslissingen rondom de voorschoolse educatie van hun kind.

De rol van gemeenten in de invoering van VVE

De rol van gemeenten in de invoering van VVE is essentieel. In de beleidsregels en aanvullende beleidsregels, zoals de "Rotterdams Onderwijs Beleid 2015–2016", zijn afspraken opgenomen over de samenwerking tussen gemeenten, schoolbesturen en instellingen die VVE uitvoeren. Deze afspraken zijn in 2015 ingegaan en betreffen onder andere:

  • Een analyse van de ouderpopulatie en ouderplan per locatie;
  • De wijze waarop inzicht wordt verkregen in de opbrengsten van de voorschoolse educatie en de resultaten van de vroegschoolse educatie;
  • De verbetering van opbrengstgericht werken;
  • De taalvaardigheid van pedagogisch medewerkers op mbo- en hbo-niveau.

Het document dient als handleiding bij het opstellen van de subsidieverantwoording. Hierin wordt aangegeven over welke zaken verantwoord moet worden en wat de rol van de accountant is. Over de volgende zaken moet worden verantwoord:

  1. Prestaties / activiteiten;
  2. Subsidievoorwaarden.

Een model verantwoordingsformulier is opgenomen als bijlage in dit hulpdocument.

De praktijkontwikkeling en uitdagingen in VVE

De invoering van VVE in de praktijk is niet zonder uitdagingen verlopen. In Valkenswaard en Amersfoort zijn verschillende benaderingen te zien, waarbij lokale factoren een rol spelen in de uitvoering van het beleid. In Valkenswaard zijn er kinderopvangorganisaties die nog geen VVE aanbod wilden realiseren in 2020. Dit geeft aan dat de implementatie van VVE niet uniform verloopt en dat er lokale obstakels kunnen zijn. In Amersfoort daarentegen is er een actieve VVE-consulent die ouders helpt bij het aanmelden van hun kinderen, wat bijdraagt aan een betere toegankelijkheid en het verminderen van barrières.

Een ander voorbeeld van de praktijkontwikkeling is te vinden in de gemeente Gilze en Rijen. In deze regio is in de periode 2002-2006 een grote kwaliteitslag gemaakt in de professionalisering van het peuterspeelzaalwerk. Deze professionalisering is voortgezet via programma’s zoals Taallijn VVE en Piramide, die een officieel VVE-beleid vertegenwoordigen. In Gilze en Rijen is er al vroegtijdig behaald wat nationaal als doel was gesteld: 71% van de doelgroepkleuters op de basisscholen heeft een peuterspeelzaal bezocht. De gemeente benadrukt echter dat dit niet betekent dat er geen beleid meer nodig is. Integendeel, het beleid moet doorgaan en verder worden uitgebouwd.

De subsidie voor reguliere peuterspeelzalen

Een ander aspect van het VVE-beleid is de financiële ondersteuning van reguliere peuterspeelzalen. Voor het kalenderjaar 2016 bleef de subsidie voor reguliere peuterspeelzalen ongewijzigd. Dit betekende maximaal € 20.000,00 per kalenderjaar voor een groep van 16 peuters die twee dagdelen per week bezochten (3 uur per dagdeel, inclusief de momenten voor brengen en halen). De hoogte van de ouderbijdrage bleef eveneens ongewijzigd. In het voorjaar van 2016 werden gesprekken gevoerd met schoolbesturen en houders over de fasering van de invoering van het herontwerp van de voorschoolse educatie. Als deze invoering zou plaatsvinden met ingang van het schooljaar 2016–2017, zouden de regels zoals beschreven worden toegepast.

De rol van de VVE in het appartementsrecht en de verplichtingen

Ten slotte is het belangrijk om op te merken dat de VVE niet alleen een rol speelt in de onderwijs- en opvangsector, maar ook in het appartementsrecht. In dit kader is het verplicht om een VVE in te schrijven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Hoewel deze verplichting bestaat, is het schatten dat vier van de tien VvE’s nog niet zijn ingeschreven. Dit is strafbaar op grond van de Wet op de Economische Delicten, met een boete die oploopt tot € 19.500,-. Alle eigenaars zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het betalen van deze boete. Het is daarom aan te raden om te controleren of een VVE is ingeschreven via de website van de Kamer van Koophandel (www.kvk.nl).

Conclusie

De invoering van VVE in Nederland dateert uit het jaar 2006, wanneer de minister van Onderwijs belangrijke beleidsmaatregelen introduceerde om de voorschoolse educatie te versterken. In de jaren daarna werd het beleid verder uitgewerkt via de Wet OKE in 2010 en de Wet IKK in 2018, die beide kwaliteitsnormen en reguleringen voor VVE-voorzieningen stelden. Deze wetten hebben geleid tot een versterking van de pedagogische kwaliteit, de harmonisatie van kinderopvang en peuterspeelzalen, en een versterkte rol voor de GGD en andere toezichthoudende instanties.

In de praktijk is het aanbod van VVE niet uniform. In sommige regio’s is VVE snel ingevoerd en breed toegankelijk gemaakt, terwijl in andere regio’s lokale uitdagingen zijn geconstateerd. De rol van gemeenten, scholen en kinderopvangorganisaties is essentieel in de uitvoering van het VVE-beleid. Bovendien is het belangrijk om rekening te houden met de financiële aspecten, zoals de subsidie en ouderbijdrage, en de juridische verplichtingen, zoals het inschrijven van een VVE in het Handelsregister.

Het blijft de taak van beleidsmakers, professionals en ouders om het VVE-beleid verder uit te bouwen, zodat jonge kinderen het beste startpakket krijgen voor hun toekomstige scholastische ontwikkeling.

Bronnen

  1. CVDR20498
  2. Vroege voorschoolse educatie (VVE) en de rol van de GGD in de Nederlandse regelgeving en praktijk
  3. CVDR410084
  4. VVE Belang – Kennisbank

Related Posts